Het meten van de wereld – Daniel Kehlmann

Dit goed in elkaar gezette en zeer leesbare boek (284 p., vertaling Jacq Vogelaar) gaat net als The Mapmaker’s Wife over een aantal gedreven wetenschappers die zich werpen op het onderzoeken en meten van de wereld, en het kan in zoverre bijna als een soort vervolg op dat boek worden beschouwd – ware het niet dat de schrijfstijl en de opzet van beide boeken totaal verschillend is. The Mapmaker’s Wife is meer een non-fictieboek – al vult de schrijver uiteraard de historische bronnen sterk aan om een lopend verhaal te krijgen – en geeft dus ook meer inzicht in de wetenschappelijke verrichtingen van de onderzoekers. Het meten van de wereld is echt een roman: Kehlmann heeft ongetwijfeld historische bronnen gebruikt, maar hij haalt ze niet aan in zijn boek en hij maakt ook echte romanpersoonlijkheden van zijn hoofdfiguren, de ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt en de wiskundige Carl Friedrich Gauss. Waardoor het niet altijd duidelijk is of sprake is van feit of van fictie, wat vooral jammer is als het gaat om de af en toe geniale gedachten van de superslimme Gauss (bijvoorbeeld: heeft hij echt aan Daguerre verteld dat je zilverjodide met een zoutoplossing kan fixeren, en dus aan de wieg gestaan van de geboorte van de fotografie, of is dat een leuk verzinsel of ‘could have been’ van Kehlmann?).

Het boek bestaat grotendeels uit elkaar afwisselende hoofdstukken over het leven van beide wetenschappers. Verteld wordt hoe Von Humboldt het tot ontdekkingsreiziger brengt en hoe hij met zijn

‘assistent’ Bonpland de Amazone bevaart, het waarschijnlijk al eerder door La Condamine (uit The Mapmaker’s Wife) ontdekte kanaal tussen die rivier en de Orinoco vindt, en al doende alles wat hij tegenkomt meet en onderzoekt. Gauss’ leven ziet er heel anders uit: hij is de ultieme huismus, gaat alleen de deur uit om geld te verdienen (en jawel: als landmeter ;-) ), en vindt dat wetenschap plaatsvindt door hard na te denken achter een bureau. Zo ontwikkelt hij diverse ingewikkelde wiskundige theorieën. Maar als hij voor elkaar heeft gekregen dat hij mee mag met de eerste ballonvaart ziet hij ook dat je de koers zou kunnen beïnvloeden door het aanbrengen van een roer – maar dat vertelt hij niet aan de ballonvaarder, want die gedachte is zó simpel dat iemand anders er ook wel op zal komen, aldus Kehlmann.

De hoofdstukken over de reizen van Von Humboldt vond ik erg interessant, maar vooral daar brak de stijl van Kehlmann me een beetje op. Hij probeert heel veel te vertellen met relatief weinig woorden. Op zichzelf prijzenswaardig, maar het maakte het voor mij nogal moeilijk om met de reizigers meer te leven. Een voorbeeldje: "Bij San Carlos wees de indicatienaald steil naar beneden terwijl de kompasnaald slechts aarzelend voor het noorden koos. Humboldt bestudeerde de instrumenten met een aandachtig gezicht. De magnetische equator. Van deze plaats had hij als kind gedroomd." (p. 120). Door dit laatste zinnetje weet je dat dit een belangrijk moment voor Humboldt moet zijn geweest, maar er wordt verder geen woord aan ‘vuilgemaakt’. De heren reizen ‘gewoon’ verder en bereiken ‘s avonds ‘gewoon’ de monding van het kanaal waarnaar ze op zoek zijn. Ook dan beschrijft Kehlmann niet wat dit met Humboldt (of Bonpland) doet: hij vermeldt slechts de muggen en de metingen die hier worden verricht. Ik vond dat een beetje jammer, hoewel je natuurlijk ook kunt zeggen dat Kehlmann
zich niet verlaat op opgeklopte emoties ;-)

Heel anders gaat het toe in het wat mij betreft mooiste stukje van het boek. Daarin wordt uitgebreid beschreven hoe Von Humboldt en Bonpland de volgens hun hoogste top ter wereld, de Chimborazo, beklimmen (ze weten nog niet dat er in de Himalaya hogere toppen zijn). Door de kou en de ijle lucht is de tocht zeer zwaar, Bonpland heeft koorts en hallucineert en de communicatie verloopt moeizaam. Maar dan:

"Boven de steile wand werd de mist uiteengereten. Ze zagen een paar stukken blauwe hemel en de kegel van de bergrtop. De koude lucht was heel dun: hoe diep je ook inademde, je kreeg nauwelijks iets in je longen. Bonpland probeerde zijn pols te meten, maar hij vertelde zich steeds weer, en tenslotte gaf hij het op. Ze betraden een smal met sneeuw bedekt bruggetje dat over een rotsspleet leidde.
Voor je kijken, zei Humboldt. Nooit naar beneden!
Meteen keek Bonpland naar beneden. Hij had het gevoel alsof het perspectief verschoof, de bodem van de kloof schoot op hem af, het bruggetje ging razendsnel naar beneden. Geschrokken klampte hij zich vast aan zijn stok. De brug, stotterde hij.
Doorlopen, zie Humboldt.
Geen rots, zei Bonpland.
Humboldt bleeft staan. Het klopte. Onder hen was geen gesteente. Ze stonden op een loshangende boog van sneeuw. Hij tuurde omlaag.
Niet nadenken, zie Bonpland. Verder.
Verder, herhaalde Humboldt, zonder zich te bewegen.
Gewoon verder, zei Bonpland.
Humboldt begon weer te lopen.
Bonpland zette de ene voet voor de andere. Het leek of hij urenlang de sneeuw hoorde knerpen en wist dat tussen hem en de afgrond alleen maar waterkristallen waren. Tot het einde van zijn leven, arm en gevangen in de eenzaamheid van Paraguay, kon hij zich de beelden tot in de kleinste details voor ogen halen: de rafelige nevelwokjes, de heldere lucht, de kloof aan de onderkant van zijn blikveld. Hij probeerde een lied te neuriën, maar de stem die hij hoorde was niet de zijne, en daarom hield hij ermee op. Kloof, top hemel en knerpende sneeuw, en ze waren er nog steeds niet. En nog steeds niet. Tot hij tenslotte toch, Humboldt wachtte al en stak zijn hand naar hem uit, de andere kant bereikte.
Bonpland, zei Humboldt. Hij zag er klein, grauw en plotseling oud uit.
Humboldt, zei Bonpland.
Een tijdlang stonden ze zwijgend naast elkaar." (p. 164, 165).

Deze passage vond ik schitterend. Aan de ene kant natuurlijk vanwege de mooie beschrijving van de spannende oversteek over de spleet, maar aan de andere kant ook vanwege de band die plotseling voelbaar is tussen Humboldt van Bonpland – die verder nogal als een voetveeg door Humboldt wordt behandeld. Dit kan niemand alleen, en hier realiseert Humboldt zich naar mijn idee dus dat hij Bonpland nodig heeft, dat ze elkaar nodig hebben, hoe dan ook.

Een ander mooi stuk vond ik de expeditie die Von Humboldt aan het eind van het boek (en zijn leven) door Rusland maakt: niks je eigen pad kiezen, niks improviseren. Elke stap wordt door de autoriteiten gepland en begeleid en wat deze reis helemaal een bijzondere draai geeft: Humboldt wordt nu als het ware door de vooruitgang ingehaald omdat de jongere wetenschappers die hem ‘begeleiden’ hem laten begaan met zijn sextant en oculair, maar zelf sneller nauwkeuriger resultaten boeken omdat ze nieuwere methoden en instrumenten hanteren. De eens grote Humboldt doet alleen nog voor spek en bonen mee.

Ik vond dit al met al een heel leuk en erg lezenswaardig boek, met een kleine kanttekening bij de stijl. Die vond ik zoals gezegd wat té kort en bondig. Niet alleen door het nogal summier beschrijven van belangrijke gebeurtenissen, maar ook letterlijk, door het gebruik van veel hele korte zinnen. Een voorbeeld:
"Dat had je er nou van, zei Julio.
Regen had nog nooit iemand geschaad.
Regen was voor iedereen schadelijk, zei Carlos. Hij kon iemand om het leven brengen. Hij had al menigeen om het leven gebracht.
Ze zouden nooit meer thuiskomen, zei Julio.
En wat dan nog, zei Mario. Thuis was hem nooit bevallen.
Thuis, zei Carlos, was de dood." (p. 131).
Dat soort passages hadden op mij een soort opjagend effect waardoor ik erg snel ging lezen, en dus misschien minder rustig kon genieten van dit toch heel erg interessante en goed in elkaar gezette verhaal.

Voor wie meer wil weten over dit boek hier een link naar een (Duitstalige) site:
http://fs.kanti-zug.ch/index.php?id=388&type=2

En dan uiteraard nog wat citaten:

"Na een paar uur ontdekte Humboldt dat zich vlooien in de huid van zijn tenen hadden ingegraven. Ze moesten de reis onderbreken; Bonpland ordende de planten, Humboldt zat op een klapstoel, zijn voeten in een teiltje azijn, en tekende op kaarten de loop van de rievier. Pulex penetrans, zei hij, de gewone zandvlo. Hij zou hem beschrijven, maar niet één keer zou hij in zijn dagboek ook maar de suggestie wekken dat hij er zelf last van had gehad. (…) Een man van wie bekend werd dat onder zijn teennagels vlooien geleefd hadden, werd door niemand meer serieus genomen." (p. 104)

"Daar op de brug, zei Bonpland, had hij het opeens betreurd dat hij als tweede moest gaan.
Dat was alleen maar menselijk, zei Humboldt.
Maar niet alleen omdat de eerste eerder in veiligheid was. hij had merkwaardige gedachten gehad. Als hij de eerste was geweest, zou iets in hem graag de brug, zodra hij eroverheen was, een trap hebben gegeven. Dat was een sterke wens geweest. (…) Wie ver reisde, zei hij, deed veel ervaringen op. Ook enkele omtrent zichzelf."
Humboldt verontschuldigde zich. Hij had helaas niet verstaan. De wind!
Bonpland zweeg een paar tellen. Niets belangrijks, zei hij dankbaar. Kletspraat." (p. 170)

"Smeergeld had Humboldt uit principe niet willen betalen, tenslotte hadden ze het zo opgelost dat Humbodt het geld aan Bonpland gaf en dat die het de kapitein had toegestopt." (p. 186)

"Gomez vroeg aan Bonpland wat voor iemand Humboldt was.
Hij kende hem beter dan wie ook, zei Bonpland. Beter dan zijn moeder en zijn vader, ook beter dan zichzelf. Hij had er niet om gevraagd, maar zo was het gegaan.
En?
Bonpland zuchtte. Hij had geen idee." (p. 188)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>